à


à
a1 [aa]
〈m.〉
1 a
voorbeelden:
1    〈boekwezen〉 a commercial apenstaartje
      prouver qc. par a plus b iets glashelder bewijzen
      ne savoir ni a ni b geen a voor b kennen
      a comme Anatole de a van Anna
————————
a2 [aa]
〈werkwoord〉    → avoir
= aux; prép
(à+le)
1) aan, voor
2) in, bij, op, te
3) naar, op...af
4) om, tot, voor, bij
5) om te
6) met
7) te [voet]
8) voor, tegen [prijs]

Dictionnaire français-néerlandais. 2013.


Share the article and excerpts

Direct link
Do a right-click on the link above
and select “Copy Link”

We are using cookies for the best presentation of our site. Continuing to use this site, you agree with this.